Het nivelleringsdenken heeft rechts inmiddels ingehaald
Nederland nivelleert in hoog tempo door. Opvallender dan die observatie is wie haar aandrijft: een D66-kabinet, gefaciliteerd door VVD en CDA. Zo vindt het gelijkheidsdenken ook rechts van het midden een warm onderkomen.
‘Nivelleringsmachine draait op volle toeren’
Minister Eelco Heinen van Financiën bood vanmiddag de Miljoenennota aan de Kamer aan, maar de hoofdlijnen lagen al op straat. Uit de gelekte Prinsjesdagstukken bleek dat hogere inkomens gezamenlijk zo’n 750 miljoen euro extra moeten opbrengen, dat het kabinet 1,5 miljard uittrekt voor koopkrachtreparatie en dat het besluit over box 3 opnieuw vooruitschuift naar de Voorjaarsnota van 2027. Dat de lasten opnieuw naar boven verschuiven, ontging de financiële pers niet. “Nivelleringsmachine draait in ons land op volle toeren,” zo kopte economisch commentator Martin Visser in De Telegraaf. Zelfs Reinier Castelein, voorzitter van vakbond De Unie, veroordeelt de tendens stellig: “communistische sentimenten, geld verdienen mag niet meer.”
Lees ook: Eerste Kamer fileert box 3-belasting op ongerealiseerde winst – maar stelt stemming uit
Nederland nivelleert zichzelf de afgrond in
Die conclusie komt niet uit de lucht vallen: rond het gelijkheidsdenken vormt zich een consensus die de scheidslijn tussen links en rechts dwars doorsnijdt. Zo bepleitte CDA-leider Henri Bontenbal een verhoging van de erfbelasting. Heeft het met de begrotingsdeal te maken? Het linkse PRO is immers met afstand de grootste partij in de peilingen. De trend is al langer gedocumenteerd: hoogleraar Koen Caminada van de Universiteit Leiden bracht 1977 tot 2019 in kaart en zag het belastingstelsel progressiever worden en de herverdelende werking van de inkomensheffingen gestaag toenemen. En dat terwijl het CPB al in 2013 vaststelde – in een studie van onder anderen econoom en box 3-bepleiter Bas Jacobs – dat de inkomensconcentratie aan de Nederlandse top na Denemarken de laagste ter wereld is.
‘Belastingdruk daalt,’ zo wil de overheid u doen geloven
Het CBS meldde op 9 september dat de mediane belastingdruk van huishoudens daalde van 15,4 procent van het bruto-inkomen in 2011 naar 12,3 procent in 2024, en sinds 2014 voor vrijwel alle inkomensgroepen lager ligt. Alleen voor de 10 procent hoogste inkomens steeg zij van 24,7 naar 24,9 procent. Dat cijfer verdient duiding die in de berichtgeving ontbrak: het meet uitsluitend inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en laat btw, accijnzen, werkgeverspremies en vennootschapsbelasting buiten beschouwing. Laat dat nu precies de heffingen zijn waar de druk is opgelopen. Gepensioneerden betalen geen AOW-premie en de laagste inkomens vallen door heffingskortingen per saldo op of onder nul uit, wat de mediaan fors omlaag trekt.
Lees ook: Advies topambtenaren: ‘Langer doorwerken, minder AOW’
Collectieve lastendruk stijgt met 39,6% in 10 jaar
Kijkt men naar de brede maat, de collectieve lastendruk waarin alle belastingen en premies samenkomen, dan ontstaat een heel ander beeld: die schommelt al jaren rond 38 tot 39 procent van het BBP. Nominaal steeg de opbrengst volgens het CBS zelfs van ruim 225 miljard euro in 2010 naar bijna 314 miljard in 2020 – plus 39,6 procent. Zo wordt een smalle deelmaat als goed nieuws gepresenteerd, terwijl het volledige plaatje het tegenovergestelde vertelt. Die last groeit langs wegen die geen politicus hoeft te verdedigen, zoals de belasting op inflatie die de overheid zelf veroorzaakt.
Detailgeneuzel als politieke hoofdmoot
Volgens de gelekte plannen trekt het kabinet zo’n 400 miljoen euro uit om ouderen gratis tegen gordelroos te vaccineren, kost het langzamer afbouwen van de accijnskorting op benzine en diesel 750 miljoen en schuift de verhoging van het eigen risico met 60 euro een jaar op. Aan de omvang van het apparaat zelf raakt het kabinet nauwelijks: het wil de komende twee jaar bijna 2 miljard op de overheid besparen, plus 200 miljoen uit maatregelen om haar ‘slagvaardiger’ te maken.
Een druppel op een gloeiende plaat
Zet dat af tegen de ruim 447 miljard aan rijksuitgaven in 2025: een druppel op een gloeiende plaat. Ondertussen loopt de staatsschuld volgens diezelfde stukken op van 45,6 procent van het BBP in 2026 naar 48,9 procent in 2030. Zo tekent het beeld van de moderne begrotingsinspanningen zich af: eindeloos schuiven met posten van honderden miljoenen, terwijl de verhouding tussen staatsapparaat en burger buiten beeld blijft – detailgeneuzel dat elke principediscussie verdrukt.
Lees ook: Prinsjesdag 2026: dit zijn de slechtste plannen van kabinet-Jetten
Het ware taboe: een uitdijende staat
Die geest reikt verder terug dan één kabinet. Voor de Tweede Wereldoorlog stelden de collectieve uitgaven weinig voor. Met de opbouw van de verzorgingsstaat groeiden deze tot begin jaren tachtig naar bijna 60 procent van het BBP. Daarna daalden ze door hervormingen van 48,2 procent in 1996 naar 42,4 procent in 2019 – maar die daling is voorbij: het CPB raamt voor 2030 weer 46,5 procent. Caminada waarschuwt niet voor niets: “Je komt een keer aan het einde van de maakbaarheid.” Daartegen verschrompelt het erfenisdebat tot wat het is: de schenk- en erfbelasting bracht in 2025 ruim vier miljard euro op, nog niet één procent van de rijksuitgaven. Wie over de erfbelasting twist, laat het eigenlijke vraagstuk onaangeroerd.
Eigendom is geen gunst van de staat
Dat de discussie zich uitgerekend vastbijt in de erfenis is geen toeval. Zodra de omvang van de staat vaststaat, verandert elke belastingdiscussie in een verdeelvraagstuk – en daarin is de eigendomsvraag stilzwijgend beantwoord. In het wereldbeeld van nivellering behoort het vermogen van de burger in beginsel toe aan de staat; wat de fiscus ongemoeid laat, geldt als gunst. Maar de staat bezit geen hoger recht op wat een gezin in een leven opbouwt dan dat gezin zelf. Een nalatenschap vormt geen buit voor de staat, maar de laatste daad van zorg voor het nageslacht.
Lees ook: Erfbelasting: onrechtvaardig, onpraktisch en onhoudbaar
Liberalisme bestrijden met… meer liberalisme?
Bontenbal hekelt naar verluidt het “dominante, liberale mensbeeld” dat de mens als los individu ziet en stelt dan de heffing voor die de familiebanden die onze beschaving dragen doorsnijdt. Zo bestrijdt hij het individualisme met het middel dat het voortbrengt. Wat het gezin – hoeksteen van de organische christelijke maatschappij – op eigen kracht kan dragen, hoort de staat niet naar zich toe te trekken, zoals de pausen het subsidiariteitsbeginsel verwoordden als harde grens aan de staatsmacht. Temt Nederland de moloch die het egalitarisme heet, dan lost het twistpunt zich grotendeels op: bij een kleinere overheid kunnen de lasten op arbeid én nalatenschappen tegelijk flink omlaag.
Lees ook: Wat de pausen werkelijk zeggen over het socialisme
De helft die per saldo niets tilt
Rest één bezwaar dat telkens terugkeert: de sterkste schouders zouden de zwaarste lasten moeten dragen – alsof dat nog niet zo is. Uit het CPB-onderzoek Ongelijkheid en herverdeling, dat voor 2016 alle belastingen én overheidsuitgaven aan huishoudens toerekende, blijkt dat de hoogste 10 procent gemiddeld 51.845 euro afdroeg en 11.452 euro terugontving – netto ruim 40.000 euro per jaar. De laagste helft betaalde 9.695 euro en ontving 22.541 euro: per saldo bijna 13.000 euro toe. De onderste helft draagt feitelijk minder dan niets bij. Dat daaronder veel gepensioneerden schuilen die decennialang wél afdroegen, verzacht het beeld maar niet de rekensom. Steevast wordt daartegen ingebracht dat de druk aan de top procentueel te laag ligt – alsof een land op percentages draait. Een begroting sluit in euro’s en die worden lang en breed opgehoest door wie het meeste verdient. De Schrift is over het verband tussen arbeid en beloning onverbiddelijk: wie niet werken wil, zal ook niet eten – een wijsheid die de leiders van een land dat zijn productieve burgers uitknijpt ter harte zouden moeten nemen.
Lees ook: De Europese economie raakt achterop door het gelijkheidsdenken
Ongelijkheid: logische uitkomst in een deugdelijke maatschappij
Achter het gelijkheidsstreven schuilt een denkfout die ouder is dan enig belastingplan. Waarderen betekent onderscheid maken, het ene boven het andere stellen op grond van betekenis, kwaliteit of moraal. Het gelijkheidsdogma doet het omgekeerde en verheft gelijkheid tot anti-waarde. Zo wil het socialisme iedereen gelijkmaken – met de grond. Ongelijkheid is daarom niet slechts ‘te dulden’, maar dient als iets goeds omarmd te worden. In een gezonde orde weerspiegelt zij verdienste: wie meer bijdraagt aan het gemeenschappelijk goed, oogst meer; dat verschil beloont inzet, talent en verantwoordelijkheid. Toch is niet elke rijkdom gerechtvaardigd – wie vergaart door ondeugd verdient geen eerbied, ook al laat een louter liberale markt hem begaan.
Het omarmen van rechtvaardige ongelijkheid
Juist daarom is economische vrijheid geen einddoel maar een instrument en valt beloning pas binnen een christelijk-organische orde, waar deugd de verwerving begrenst, samen met werkelijke bijdrage. Het nastreven van gelijkheid vlakt dat onderscheid uit en straft de deugdzame tegelijk met de profiteur. Vandaag maakt de staat de rekening op van wat de productieve burgerij heeft opgebouwd. En zolang het gelijkheidsdenken de boventoon voert en de omvang van de overheidsuitgaven buiten beschouwing blijft, groeit de rekening – materieel én geestelijk – hoe geruststellend de percentages ook lijken. Wie dat tij wil keren, begint bij de principiële verdediging van het heilig recht op privé-eigendom.
Teken daarom nu het Manifest voor Privé-eigendom aan de president van De Nederlandsche Bank!
Het privé-eigendom van ons Nederlanders is in gevaar. Onze pensioenen worden minder waard en het eigen huis dreigt te worden belast. Ik roep u als president van De Nederlandsche Bank op deze onteigening te stoppen!
Laatst bijgewerkt: 15 september 2026 17:17