Onderzoek van The Aesthetic City toont aan dat 90 procent van de Nederlanders klassieke architectuur boven moderne verkiest. (bron)
9 op de 10 Nederlanders kiest voor klassieke architectuur, toch blijven we modernistisch bouwen – waarom?
Wie door een willekeurige Nederlandse stad fietst, zal het niet zijn ontgaan: de oude binnenstad, met haar herenhuizen, wordt bewonderd, gefotografeerd en geprezen. De nieuwbouw eromheen, in de regel een collage van witte panelen en grijs beton, steekt er schril bij af. Onderzoek van Ipsos I&O in opdracht van The Aesthetic City van stedenbouwkundige Ruben Hanssen bevestigt wat iedereen diep van binnen voelt: 90 procent van de Nederlanders geeft voorkeur aan klassieke architectuur. Toch blijven modernistische gebouwen verrijzen. Waarom?
9 op de 10 kiezen voor klassieke architectuur
Het onderzoek dat stedenbouwkundige Ruben Hanssen van The Aesthetic City liet uitvoeren door onderzoeksbureau Ipsos I&O brengt een eenduidig beeld naar voren. Aan een statistisch representatief panel van 770 Nederlanders werden telkens twee gebouwen voorgelegd – één in een klassiek traditionele stijl, één in een modernistische – met de vraag welke de voorkeur genoot. Bij vrijwel elke vergelijking koos rond de 90 procent voor het klassieke ontwerp. Dergelijke uitslagen zijn in opiniepeilingen ongebruikelijk. Hanssen presenteerde de resultaten tijdens een webinar van het Tocqueville Netwerk, in samenwerking met het Vlaamse Custodes Instituut, en merkte daarbij op: “Dit zou voorpaginanieuws moeten zijn.” Echter geen Nederlandse redactie nam de moeite het op te pikken.
Lees ook: Hoe moderne architectuur de ziel vernietigt
Publieke gebouwen blijven modernistisch
De kloof tussen wat de bevolking aantoonbaar mooi vindt en wat in haar naam wordt gebouwd, is nergens zo zichtbaar als bij overheidsgebouwen, scholen, ziekenhuizen en sociale woningbouw. Tijdens het webinar liet Hanssen voorbeeld na voorbeeld zien: studentenhuisvesting in Utrecht die meer aan een fabriekshal dan aan een verblijfplaats doet denken; een stuk nieuwbouw pal aan het Leidseplein in Amsterdam waarvan de dubbele glazen gevel gillend contrasteert met de omgeving en dat op stevige kritiek kon rekenen; en het tijdelijke onderkomen van de Tweede Kamer in het voormalige ministerie van Buitenlandse Zaken – door velen “de Apenrots” genoemd. Hanssens gespreksgenoot bij de webinar, de Vlaamse filosoof Pepijn de Mortier, schetste het cruciale verschil met andere kunstvormen: een muziekplaat die uit de mode raakt, wordt simpelweg niet meer verkocht, een boek dat niet meer aanslaat verdwijnt uit de handel, “maar een gebouw dat niet meer rijp is, dat staat er wel nog over 5, 10, 15 of 20 jaar.” Architectuur is, in zijn woorden, “publieke kunst”: ze dwingt zich op aan iedereen die langsloopt, woont, werkt of studeert in haar nabijheid, zonder dat men daar werkelijk voor heeft gekozen.
Lees ook: Tweede Kamer wil genderneutrale toiletten: laten we geslachten juist accentueren
Orde versus wanorde als kernverschil
Het onderscheid betreft niet zomaar een smaakverschil tussen twee gelijkwaardige stromingen. Wie de klassieke stijlen – denk aan gotiek, renaissance, barok, rococo, neoclassicisme – naast het modernisme legt, ziet een fundamenteel ander uitgangspunt. De klassieke bouwtraditie streeft naar orde, harmonie, evenwicht, symmetrie en ornament dat de blik leidt en proportie die rust geeft. Het modernisme verheft, in zijn meest consequente vormen, juist wanorde, dissonantie en contrast tot bewust principe – soms zelfs tot doel. De Mortier wees daar tijdens het webinar op: bij modernistische gevels naast een klassieke gevel “krijgt het [modernistische] pas zijn artistieke kwaliteit omdat het naast het [klassieke] staat. Het draait om de spanning tussen de twee.” Met andere woorden: het modernistische gebouw kan alleen overleven door zich te kunnen afzetten tegen wat eraan voorafging. Het klassieke streven naar schoonheid als uitdrukking van een hogere orde maakt hier plaats voor een ‘esthetiek’ van het verstoren. Daarmee verklaart het onderscheid ook waarom modernistische gebouwen typisch sterk aan trends gebonden blijken, terwijl klassieke architectuur eeuwenlang aansprekend blijft. Wie principes van proportie en harmonie volgt, raakt iets dat de tijd overstijgt. Wie zich richt op contrast en provocatie, is gedoemd binnen één generatie alweer als gedateerd te gelden.
Ambacht uit het curriculum verdwenen
De vraag dringt zich op waarom architecten in vrijwel alle Westerse landen massaal blijven bouwen wat negen op de tien afkeuren. Hanssen, opgeleid aan de UvA en de TU Delft, wijst op de architectuuropleidingen, waar volgens hem de student wordt neergezet als “het genie”: elke creatieve uiting moet ruimte krijgen, juist als die de blik van het publiek negeert. Het kunstambacht – werken met proporties, opbouwen van gevels in lagen, beheersen van ornamentiek – is sinds de jaren zestig grotendeels uit het curriculum verdwenen. “Dat wordt simpelweg niet meer onderwezen,” vatte Hanssen zelf samen. Studenten leren bovendien een geheel andere esthetiek waarderen dan die van de bevolking, hetgeen door internationaal onderzoek de design disconnect of design gap is gaan heten: de systematische kloof tussen wat ‘experts’ waarderen en wat burgers feitelijk willen. Het patroon kent parallellen met andere terreinen waar een bestuurlijke kaste zich heeft losgezongen van de samenleving die zij geacht wordt te dienen. Kosten worden vaak als argument aangevoerd, maar zijn dat niet werkelijk: verhoudingen, symmetrie en kleurkeuze zijn – zoals Hanssen aangaf – “gratis,” en zelfs het gebruik van warmere baksteen of klassieke vensterproporties voegt slechts marginale meerkosten toe.
Lees ook: Als de echte elite de leiding neemt, worden problemen opgelost
Architectuur als spiegel van een wereldbeeld
De wending van traditioneel naar modernistisch is geen autonome ontwikkeling binnen de architectuur geweest, maar een onderdeel van een veel bredere culturele omwenteling die door katholiek denker Plinio Corrêa de Oliveira is beschreven als “de Revolutie”: een eeuwenlang proces waarin de organische, hiërarchische orde van de christelijke beschaving stelselmatig is afgebroken ten gunste van egalitaire abstracties. Het modernisme van de vroege twintigste eeuw – denk aan Bauhaus of het brutalisme – was geen onschuldige stilistische voorkeur maar een uitgesproken ideologisch project. Architect Charles-Édouard Jeanneret, bekend als Le Corbusier, door velen gezien als geestelijke vader van de betonnen bouwblokken die nu hele Franse voorsteden domineren, sprak openlijk over architectuur als instrument van maatschappelijke herziening. De Mortier wees op het diepere mechanisme: in de modernistische opvatting wordt de stad het persoonlijk portfolio van de architect, het individuele ego van zowel ontwerper als opdrachtgever staat centraal, “iets als een collectief goed is bijna ondenkbaar.” De gemeenschappelijke vorm – de gedeelde stijl waarin generaties op elkaar voortbouwen – verdwijnt, net als de gedeelde cultuur waarin zij wortelde. Wat overblijft is een wereldbeeld dat door de Frankfurter Schule en Rudi Dutschke’s lange mars door de instituties ook in onderwijs, media en cultuur is doorgevoerd: alle bestaande hiërarchie verdacht maken, alle erfenis afwijzen, alle continuïteit doorbreken.
Lees ook: Paul Rosenmöller: de vleesgeworden ‘lange mars door de instituties’
Schoonheid vereist per definitie hiërarchie en ongelijkheid
Hier raakt de discussie haar diepste punt. Tijdens het webinar verwoordde Hanssen het in scherpe bewoordingen: “Schoonheid eist excellentie. En als je die excellentie niet hebt, dan gaat het mis.” Wie een mooi gebouw ontwerpt naast een lelijk, stelt een impliciet oordeel – over kunde, over visie, over hiërarchie van kwaliteit. De Mortier vulde aan: “Schoonheid introduceert een hiërarchie. En ik denk dat daar mensen mee aan de kant komen [te staan].” Daarmee komt het werkelijke conflict in beeld. De moderne samenleving rust fundamenteel op het gelijkheidsdogma: de overtuiging dat elk onderscheid, elke vorm van verticaliteit, elke aanduiding van hoger en lager, beter en best, verdacht is. Zo is architectuur die werkelijk schoonheid nastreeft per definitie hiërarchisch: er is een dragende as, een gevelopzet die het oog naar boven leidt, een verhouding tussen plint, hoofdgestel en bekroning, een onderschikking van delen aan een geheel. Iedere politicus die zich publiekelijk inzet voor mooie publieke gebouwen, voor klassieke proporties, voor verheffing en kwaliteit, keert zich daarmee feitelijk tegen het modernistische uitgangspunt dat alle onderscheid verdacht is. En gelijkheid als hoogste waarde is de ultieme antithese van het waarderen zelf, want waarderen vereist onderscheiden – en wie alles gelijk wil, kan onmogelijk de schoonheid van het ene boven het andere stellen.
Lees ook: Socialistische Partij pleit voor 75% erfbelasting
De politieke onverenigbaarheid
Daarmee verklaart zich het ogenschijnlijke raadsel waarom vrijwel geen enkele politicus dit thema durft op te pakken. Het gaat niet zo zeer om electorale afwegingen of om angst voor het verwijt “bezig te zijn met bakstenen, met dakpannen, met deuren,” zoals De Mortier in het gesprek met Hanssen suggereerde. Het gaat om iets fundamentelers: wie zich publiekelijk inzet voor schoonheid, voor verheffing, voor klassieke kwaliteit in publieke gebouwen, plaatst zich noodzakelijkerwijs tegenover het egalitaire fundament waarop het hele moderne bestuurssysteem rust. De twee idealen – gelijkheid als hoogste waarde enerzijds, en waardering voor schoonheid, orde en hiërarchie anderzijds – laten zich niet verenigen in dezelfde persoon. Een politicus die zegt: “wij willen mooie publieke gebouwen, want sommige bouwstijlen zijn beter, mooier dan andere,” verraadt impliciet dat hij niet in radicale gelijkheid gelooft. Hij accepteert hiërarchie. Hij accepteert dat sommige culturen en tradities waardevoller zijn dan andere. Hij accepteert dat verleden generaties iets hebben voortgebracht dat verdedigd moet worden tegen de revolutionaire afbraak. En voor de moderne politiek is dat een onmogelijke positie. Het is dan ook geen toeval dat de zeldzame politici die de strijd voor klassieke architectuur wél aangaan regelmatig ook uitdrukkelijk afstand nemen van het gelijkheidsdogma.
Bouwen voor de eeuwigheid
Architectuur is verre van een marginale kwestie. Het is, zoals De Mortier in het webinar zei, “een gift aan de inwoners van een land, van een stad.” Wie door Parijs of door de gerestaureerde binnenstad van Dresden loopt – een stad die na de bombardementen van 1945 in haar oude glorie is herbouwd, ondanks aanvankelijk verzet van de communistische DDR-overheid – ervaart wat het betekent als een samenleving haar publieke ruimte als een gemeenschappelijk erfgoed beschouwt en niet als speelterrein voor de chaotische geldingsdrang van enkele architecten met een misplaatst superioriteitsgevoel. Het onderzoek van Hanssen laat zien dat de Nederlandse bevolking exact dat verlangt: een omgeving die de orde van de schepping – het schone, het ware, het goede – weerspiegelt, die generaties verbindt, die de ziel voedt. Wat haar wordt opgedrongen is het tegendeel: een dissonantie die het resultaat is van een revolutionaire geest die in haar eigen egalitaire fantasieën gevangen zit. De voorwaarde voor een hervonden architectuur in Nederland is daarmee dezelfde als die voor een hervonden cultuur, een hervonden onderwijs en een hervonden politieke orde: het opnieuw omarmen van onderscheid, hiërarchie en kwaliteit. Niet alle gebouwen zijn gelijk. Niet alle stijlen zijn gelijkwaardig. Niet elk ego mag zijn stempel drukken op straten waar ons nageslacht zal lopen. Wie daarvan overtuigd raakt, plaatst de eerste steen voor het herstel van een Nederland dat – net als Dresden – opnieuw mooi durft te zijn.
Bestel kosteloos: Revolutie en Contrarevolutie (eBook)
Als er één boek is dat licht kan schijnen in de postmoderne duisternis, dan is het dit boek: Revolutie en Contrarevolutie van katholiek denker professor Plinio Corrêa de Oliveira. “Als de Revolutie wanorde is, is Contrarevolutie het herstel van Orde.” – Bestel het nu kosteloos!
Laatst bijgewerkt: 3 mei 2026 13:42